Home » Blog » “If you don’t mind, I will keep my umbrella…” (full version: 9/11 in New York was ook best gezellig)

“If you don’t mind, I will keep my umbrella…” (full version: 9/11 in New York was ook best gezellig)

de twin towers in de skyline van new york

Door: André Hengeveld

Deel I

Laat ik beginnen met te vertellen dat ik op 11 september 2001 in New York was. Ik zat in het hotel naast het (oorspronkelijke) WTC dat sinds die dag, zoals redelijk algemeen bekend verondersteld mag worden, wijlen is. Sommigen weten dat ik daar toen zat en dat ik door stofwolken heb moeten rennen, voor anderen heeft dit ongetwijfeld een aanzienlijk ‘oh ja, echt waar?’ (en misschien ook wel ‘lekker belangrijk’)-gehalte. 

Ik heb dit verhaal tot nu toe nooit op papier gezet. Waarom nu wel? Heel simpel: ik zag vanavond een post over 9/11 voorbij komen en ineens vond ik dat ik jullie ermee moest lastigvallen. Ingewikkelder kan ik het niet maken. 

Laat ik ook beginnen met te vertellen dat dit geen dramatisch en zieltogend verhaal wordt; de week die op de 11e september volgde was absoluut de meest indrukwekkende week uit mijn leven, maar ik heb een aanzienlijk deel van die week schuddebuikend van de lach, hangend aan bars en lopend door een (te) gekke stad waar de wereld even op z’n kop leek te staan doorgebracht. 

Laat ik tot slot ook nog vermelden (ik geef toe dat de aanloop al wat lang is) dat ik het verhaal niet in 1 post kan doen… Jullie zijn als het gaat om lengte van verhalen heel wat van mij gewend, maar dit zou echt teveel gevraagd zijn. Ik denk wat dat betreft graag met de mensen mee. 

Hoe dan ook. Ik was toen in NY voor een, zoals de Amerikanen dat zo mooi noemen, Global Leadership Course. Ofwel: hoe leren we om met zoveel mogelijk gillend geblaat in de dagelijkse praktijk zo min mogelijk te hoeven doen!? Ik was, enigszins onder druk, naar deze bijeenkomst uitgezonden door het bedrijf waarvoor ik toen werkte. Maar eerlijk gezegd sprak me de basisgedachte ook wel aan. 

Op 9/11 zaten we ’s ochtends rond negen uur (lokale tijd daar) met in totaal ongeveer 100 ‘potential leaders’ in een zaaltje op de begane grond van het hotel. De CFO gaf een lezing over een financieel onderwerp waarvan ik me eerlijk gezegd geen reet meer herinner. Plotseling klonk een stem door de speakers die ons in nogal gebrekkig Engels meedeelde: “please don’t panic, stay where you are” (x ongeveer 8). Ons inziens geen enkele reden om in beweging te komen; binnen het selecte groepje Europese aanwezigen vermoedden we dat zich een Amerikaanse hotelgast tijdens het ontbijt in zijn linker pink had gesneden. Of zoiets. Voor de gemiddelde Amerikaan aanleiding om moord en brand te schreeuwen, wij bleven wijselijk stoïcijns. 

Totdat.. 5 minuten daarna de organisator van ons evenement de zaal binnenstormde en de microfoon greep om (gelet op haar gelaatsuitdrukking en met name de tranen in haar ogen) kennelijk echt iets belangrijks te melden… 

Deel II 

Dat de organisator van onze cursus die vroege ochtend van 9/11 iets belangrijks te melden had werd snel duidelijk. Tussen het wegpoetsen van haar tranen door vertelde ze met een brok in haar keel dat er een ernstig (toen nog zo genoemd) ongeluk was gebeurd; 10 minuten daarvoor was een passagiersvliegtuig in volle vaart het WTC naast ons ingevlogen. “What the f*ck??” dacht ik en deze gedachte viel ook van de gezichten om mij heen af te lezen. Volgens de organisator was inmiddels een rampenplan in gang gezet. Dit betekende waarschijnlijk dat ons hotel door de lokale overheid gevorderd zou worden om hulpdiensten en mogelijke slachtoffers op te vangen. Het verzoek van het hotelmanagement was daarom dat we allemaal onze kamers ontruimden. Dat vonden we een alleszins begrijpelijk verzoek. We spraken af dat we na het halen van onze spullen weer in dezelfde zaal zouden verzamelen om te zien wat er verder ging gebeuren. 

Ik had een kamer op de 15e verdieping. Ik stond al zo goed als in de lift toen mij ineens te binnenschoot dat iemand (volgens mij was het mijn vader) mij ooit vertelde dat het nemen van de lift tijdens calamiteiten het domste is om te doen; voor je het weet hang je daar…. Ik dus in ganzenpas 15 trappen op. 

Op mijn kamer aangekomen bleek mijn tv nog aan te staan. Ik belandde direct in een livereportage en ik begreep dat zich inmiddels een tweede toestel in het WTC had geboord. Ook hoorde ik nu voor het eerst dat het hoogstwaarschijnlijk om een terroristische aanslag ging en niet om een ongeluk. Bij het zien van de beelden realiseerde ik me pas echt wat er aan de hand was; in de zaal op de begane grond hadden we niks gemerkt van dit alles dat ruim 500 meter boven ons gebeurde. Maar nu drong het besef tot me door dat er iets gaande was dat de hele wereld over zou gaan. Dit besef werd aanzienlijk versterkt toen ik vlak daarna een blik uit het raam wierp in de straat beneden mij. Ik zag een krioelende massa agenten, ambulances, brandweerlieden en wat je ook maar aan hulpdiensten kunt verzinnen. Oeps.

Gelukkig (en daar heb ik me naderhand nog regelmatig over verbaasd) raakte ik geen moment in paniek. In tegendeel. Er kwam een soort helderheid van geest over me waardoor ik in een split second twee beslissingen nam waarvoor ik de uren en de dagen erna de goden vaak geprezen heb: 

1. Mijn mobiele telefoon lag er intussen uit, maar ik pakte direct de vaste lijn om naar Nederland te bellen en te laten weten dat met mij alles okay was; 

2. Ik pakte m’n koffer in, maar stak mijn paspoort en vliegticket in mijn achterzak. 

Daarna sleepte ik mijn koffer de trappen af om me aan te sluiten bij de collega’s die zich een voor een met hun bagage in de zaal meldden. 

Ik was nog maar goed en wel beneden of ineens begon het hotel ongelofelijk op zijn grondvesten te schudden. De verlichting knipperde en in de lobby vlakbij hoorde ik een enorm geschreeuw: “GET OUT!!! GET OUT!!” Zonder aan de bagage te denken rende iedereen de zaal uit. Ik dus ook. 

In de lobby aangekomen keek ik naar buiten en zag een enorme mensenstoet gillend en in paniek voorbij rennen. Met name het feit dat ik daartussen ook agenten en brandweerlieden ontdekte die kennelijk het vege lijf probeerden te redden stelde mij niet bepaald gerust en deed mij besluiten om het ook op een sprinten te zetten. In een oogwenk zag ik nog dat een aantal mensen ergens tussen vloer en nok van het hotel vast zat in de glazen koker waarin zich de liften bevonden. Dank nog pa voor het advies! 

En wat ik buiten zag zal ik echt nooit vergeten…. 

Deel III

Toen ik buiten aangekomen naar links keek werd mij duidelijk waar de krijsende menigte voor op de vlucht was. Om de hoek van het hotel kwam een gigantische stofwolk geblazen die erop uit was het rennende gepeupel te verzwelgen. Van de andere kant zag ik de ene na de andere ambulance en politieauto de stofwolk tegemoet rijden richting WTC. Het leek mij verstandig om me bij de vluchtende massa aan te sluiten en ook ik zette het op een lopen alsof mijn leven er vanaf hing (en dat was misschien ook wel een beetje zo). Op een gegeven moment voelde ik de stof in mijn nek; reden genoeg om nog wat op te schakelen. Uiteindelijk wist ik de stofwolk net voor te blijven en na ongeveer 200 meter minderde ik vaart; ook omdat ik het door alle stofdeeltjes die ik kennelijk toch had ingeademd lichtelijk benauwd kreeg. 

Ineens hoorde ik achter me een bekende stem die in het Engels riep: “Hey André, wait for me!”. Omkijkend zag ik dat ik werd ingehaald door Richard, een Engelse collega die samen met mij de cursus deed. Ik kan niet zeggen hoe blij ik was om hem te zien tussen alle onbekende, angstige gezichten. En gelet op zijn reactie was het genoegen meer dan geheel wederzijds. 

Nu wil ik jullie hier even iets meer over Richard vertellen. Richard was niet bepaald een doorsnee Engelsman. Nee, Richard was ongeveer van mijn leeftijd, maar hij had absoluut niet misstaan in een klassieke Engelse film uit de jaren ’20 van de vorige eeuw; Britser dan Brits. Hij sprak de Engelse taal op een prachtige geaffecteerde manier en Richard was in alles zeer correct, op het absurde af. En…. Richard had altijd een paraplu bij zich. Ik had me er de 3 dagen dat ik hem nu kende al meerdere keren over verwonderd. Waarom zou iemand in godsnaam de hele dag een paraplu bij zich dragen in 35 graden en kurkdroog weer?? Het was er alleen nog niet van gekomen om hem deze vraag daadwerkelijk te stellen. Maar toen ik dat later in de week alsnog deed was zijn antwoord kort en typerend voor zijn bijna Monty Python-achtige persoon: ‘You never know, it may start to rain any moment’. Dat was standaard zijn antwoord, wie hem de vraag ook stelde. Ik heb er de dagen erna vaak erg om moeten lachen, vooral vanwege de verbaasde blikken die dit telkens opleverde. En, geloof het of niet, ook nu midden in de chaos had Richard zijn paraplu bij zich. Het viel me onmiddellijk op en zelfs onder de deze bizarre omstandigheden kon ik een glimlach niet onderdrukken. Wat een briljante gek! 

Richard en ik renden samen nog ongeveer 50 meter door voordat we stopten om te zien wat er achter ons gebeurde. Nu werd duidelijk wat het schudden van ons hotel en de stofwolk had veroorzaakt. Op ongeveer 400 meter van ons vandaan zagen we nog maar 1 toren (de hoogste) van het WTC staan; de andere was zojuist ingestort. De overgebleven toren stond in lichterlaaie. Ik zag continu materiaal van de toren naar beneden vallen. Ik dacht op dat moment dat dit delen van de toren zelf waren, maar toen ik later de beelden terugzag op tv realiseerde ik me dat dit vooral werknemers uit het WTC waren die een dood door een verpletterende val verkozen boven levend verbranden. Brrrr. 

Richard en ik overlegden kort wat verder te doen. We kwamen samen tot de conclusie dat het niet ondenkbaar was dat de overgebleven toren om zou vallen. En zou dat in onze richting zijn, dan stonden we wel erg dichtbij. We namen het zekere voor het onzekere en besloten nog een stuk verder te wandelen. 

Ondertussen keek ik om me heen en observeerde de mensen die met ons opliepen. Een bonte en alsmaar groeiende stoet van mannen in pak, vrouwen met krulspelden in, bejaarden die zich soms moeizaam voortsleepten, kinderen die in paniek om papa of mama riepen en noem maar op. Sommigen zwijgend voor zich uitkijkend, anderen vol onbegrip hoofdschuddend en weer anderen huilend en op zoek naar familie of vrienden waarmee zij hals-over-kop huis en haard hadden verlaten en die zij kwijt waren geraakt. Allemaal dezelfde kant op lopend, mede opgedreven door politieagenten die zich inmiddels leken te hebben georganiseerd en die (zo bleek toen ik een agent vroeg wat de bedoeling was) de instructie hadden gekregen om Manhattan zo snel mogelijk te ontruimen. 

Deel IV

Gaandeweg kwamen Richard en ik meer collega’s tegen die zich bij ons aansloten. Na een uur of twee waren we met een groepje van circa 10 cursisten; toevallig vooral Europeanen. Voor zover ik me herinner in ieder geval 2 Fransozen, nog 2 Engelsen en een Duitser. Daarnaast nog 2 Canadezen (waarvan 1 vrouw) en een Amerikaanse die zwanger was en die duidelijk moeite had om ons tempo te volgen. 

Het was die dag bloedheet en we hadden al uren niks kunnen drinken of kunnen eten. Bovendien hadden we inmiddels flink wat kilometers slenterend afgelegd en we begonnen onze voeten te voelen. Ook werd het tijd voor een plan de campagne; we konden moeilijk de hele dag blijven doorlopen naar…. Ja, waar naartoe eigenlijk? We wisten het echt niet. Het was rond 13.00 hr en volgens Richard (wie anders?) op zijn horloge al ver na ‘tea time’. Pauze dus. Ergens op de kade van de Hudson, de rivier die we tijdens onze tocht steeds 150 meter links van ons hadden zien liggen, liet de groep zich tegen een muurtje op de grond zakken. Richard en ik vonden het een poging waard om in de dichtstbijzijnde wijk op zoek te gaan naar een supermarkt en wat proviand in te slaan. We gingen met z’n tweeën op pad. 

Het bevreemde ons nogal dat het leven in die wijk zo op het oog volledig z’n normale gang ging. Alsof het een dag was als alle andere. Een supermarkt waar we terecht konden was snel gevonden. Daar werd duidelijk dat Richard en ik niet alleen een persoonlijke klik hadden, maar ook 100% op een lijn zaten als het ging om het stellen van (inkoop)prioriteiten. We kochten een tray bier, een fles wodka, 2 pakjes Camel en…. twee trossen bananen. We hebben ons naderhand wel meerdere malen afgevraagd waarom we eigenlijk bananen kochten. Over de rest van de aankopen waren we allebei, ook bij evaluatie achteraf, onverdeeld enthousiast. Overigens fronste het merendeel van de collega’s in ons groepje demonstratief de wenkbrauwen bij het zien van de opbrengst van onze koopexpeditie. Maar Richard en ik waren meer dan tevreden over het resultaat en sloegen direct aan de alcohol. Cheers! 

Hoe lang we daar precies gezeten hebben kan ik niet meer goed reconstrueren. Als ik globaal terugreken moeten dat minstens drie uren zijn geweest. We vulden de tijd in eerste instantie met het delen van onze ervaringen rond de vlucht uit het hotel en met hetgeen we onderweg meegemaakt hadden. 

Omdat we allemaal dringend mensen wilden bellen, testten we regelmatig onze mobiele telefoons. Maar het netwerk lag al de hele dag compleet plat. Een telefooncel die we verderop zagen staan werkte ook niet. En toen we een agent vroegen of we met zijn telefoon mochten bellen, bleek dit een toestel te zijn dat alleen bestemd was voor communicatie tussen hulpdiensten en op een speciale frequentie. En ook de vaste telefoonlijnen in de buurt lagen er, naar we begrepen, uit. Bij meerdere collega’s leidde dit tot nog meer stress en veel emotie. Zij maakten zich vooral zorgen over het thuisfront dat natuurlijk geen flauw idee had hoe het met hun dierbaren ging. Wat was ik blij dat ik eerder die dag toen dat nog wel kon vanuit het hotel naar Nederland had gebeld! 

Maar wat nu? Het ene na het andere plan passeerde de revue. Terug naar het hotel? Afgaande op hetgeen we onderweg gezien en gehoord hadden ongetwijfeld kansloos. Contact opnemen met ons hoofdkantoor dat ergens in New York gevestigd moest zijn? Niemand had een telefoonnummer. En dan nog…. De Amerikaanse had familie in een plaatsje ruim 20 kilometer verderop. Daar konden we vast wel terecht. Maar ja, hoe kwamen we daar? Er was ons verteld dat het openbaar vervoer en de taxi’s niet meer reden om de hulpdiensten niet in hun werk te belemmeren. En meer dan 20 kilometer lopen?? Misschien naar vliegveld JFK en erop gokken dat we een vlucht konden krijgen? JFK was tenminste 15 kilometer van ons vandaan gelegen (we wisten op dat moment nog niet dat ook het vliegverkeer volledig was stilgelegd); dat leek ons ook niet direct haalbare kaart. Een aantal collega’s realiseerde zich bij deze suggestie met schrik dat zij hun paspoort en vliegticket niet bij zich hadden; deze zaten nog in de bagage in het hotel. Ik voelde in mijn achterzak; pff, ik had ze gelukkig wel. Dan maar naar een van de ambassades of consulaten in de stad wandelen? Okay, maar waar zaten die? 

Langzaamaan werd iedereen wat ongeduldig en ook wel een beetje paniekerig. Met name het knagende gevoel omdat we niemand konden laten weten dat we ongedeerd waren werd sommigen teveel. Ik maakte zelf meerdere malen een ommetje met als doel informatie te vergaren of hulp te vinden. Maar echt opschieten deed het allemaal vooralsnog niet. 

Totdat een collega die ook op speurtocht in de omgeving was geweest aan kwam lopen in gezelschap van een jongeman op een mountain bike…. 

Deel V

Ik wist niet wie hij was, maar mijn collega had de jongeman op de mountain bike herkend als een van de medewerkers van ons hotel en had hem aangesproken. En hij had onmiddellijk aangeboden ons te helpen. Hij vertelde dat ons hotel weliswaar niet echt beschadigd was, maar dat er wel overal een dikke laag smerig stof lag. Vlak na ons vertrek hadden een aantal politie- en brandweereenheden er kwartier gemaakt; wat later was ook een legereenheid gearriveerd. Samen met nog een paar collega’s was hij ondanks het instorten van het WTC (nu hoorden we dat ook de rest van het WTC tegen de vlakte was gegaan) in het hotel gebleven om daar waar mogelijk hulp te bieden. Wat een helden! En nu was hij onderweg naar huis, een kleine kilometer verderop. 

Wij deden ook ons verhaal. Daarop stelde hij voor dat we met hem meegingen. Van een buurman die hij net tegengekomen was had hij begrepen dat de telefoon het in zijn buurt wel (weer) deed. We waren van harte uitgenodigd om bij hem thuis wat zaken te regelen. 

De groep slaakte hoorbaar een zucht van opluchting. Richard maakte een slechte grap tegen de Duitser in ons gezelschap terwijl hij hem zachtjes met zijn paraplu in de maagstreek porde; iets met dat wij ons historisch graag door Amerikanen lieten redden maar dat dit voor hem misschien wat ingewikkelder lag. Of zo. Iedereen, behalve de Duitser, brulde het uit van het lachen en de stemming sloeg spontaan om van zwaar terneergeslagen in een soort vermoeide meligheid. 

We volgden ‘de fietser’ (ik noem hem noodgedwongen even zo, want ik weet zijn naam niet meer en heb hem mede daardoor helaas ook nooit echt kunnen bedanken) naar zijn huis. Een half uur later liepen we zijn appartement binnen waar zijn vriendin waarmee hij samenwoonde wel wat verbaasd keek, maar na een korte uitleg door haar vriend vooral heel gastvrij vroeg of we wat wilden eten of drinken. In een mum van tijd stonden er een schaal gesmeerde broodjes en een kan koffie op tafel. 

Intussen zat een aantal van ons gebogen over de ‘yellow pages’ op zoek naar telefoonnummers. De een na de ander belde kort met het thuisfront (ik weet niet meer of ik dat daar ook heb gedaan, zou kunnen). De Amerikaanse pleegde een telefoontje naar haar familie in het dorp wat verderop en van haar namen we kort daarna afscheid toen zij door een neef werd opgehaald. Ze bood ons nog aan om ook mee te rijden of om ons ergens af te zetten, maar we waren er inmiddels wel van overtuigd dat we een andere oplossing zouden vinden. Ook de Duitser had blijkbaar telefonisch iets geregeld. Wat precies hebben we nooit geweten; hij had de hele dag al een niet al te prettige indruk gemaakt en eigenlijk waren we opgelucht toen hij, zonder al teveel te zeggen, het appartement uitliep. 

We bleven met acht collega’s over. Ik probeerde ons hoofdkantoor in New York te bereiken, maar kreeg steeds een bezettoon. Daarna toetste ik het nummer van de Nederlandse ambassade in. Daar ging de telefoon weliswaar over, maar na enkele seconden sloeg een antwoordapparaat aan. Ik keek op mijn horloge. Ach, natuurlijk het was 10 over vijf en ook al stond half New York in brand, dat was kennelijk geen reden om ook maar een minuut langer door te werken???? 

Mijn Franse collega’s hadden meer succes bij hun ambassade. Daar werd direct opgenomen en ik kon het gesprek dat een van hen aan telefoon voerde redelijk volgen. De Franse ambassade had wél begrepen dat er in New York iets bijzonders aan hand was en zette nu alles-op-alles om te inventariseren hoeveel landgenoten er in de stad waren, hoe het met ze ging en waar zij zich bevonden. Daartoe was de ambassade overgegaan op een continurooster. Dit betekende dat, zolang het nodig was, de ambassade open bleef en alle Fransen die hulp nodig hadden daar terecht konden. Ik hoorde mijn collega vragen of dit alleen voor landgenoten gold of dat zij ook mensen uit andere landen opvingen. Lang verhaal kort: iedereen was in ieder geval welkom om op weg geholpen te worden. Aangezien hij een van de mensen was die zijn paspoort in het hotel had laten liggen, vroeg mijn collega nog of zij hier ook een oplossing voor hadden. Ook dat kon geregeld worden. 

Toen ‘de fietser’ het adres van de Franse ambassade hoorde, schatte hij in dat het ongeveer 3-4 kilometer lopen was. Hij had zelf geen auto en voor zover hij wist reden er nog steeds geen taxi’s en bussen. De gecalculeerde afstand was in onze ogen te voet echter meer dan haalbaar. Nadat ons de weg naar de ambassade was uitgelegd (mobiele apps hiervoor bestonden toen nog niet, althans wij hadden ze niet) namen we nog een paar broodjes, bedankten ‘de fietser’ en zijn vriendin meer dan hartelijk voor hun lieve gastvrijheid (ik zag her-en-der tranen van dankbaarheid in de ogen en ik moet eerlijk bekennen dat ook ik het niet helemaal droog hield) en we gingen weer op pad, nu richting de ambassade van onze Franse vrienden. 

Deel VI

In de Franse ambassade was het een compleet gekkenhuis. Met man en macht werd gewerkt om de doorlopend toestromende ‘zwervers’ op te vangen en te woord te staan; een ieder met zijn of haar eigen verhaal en behoefte. Het duurde even voordat wij geholpen konden worden, maar uiteindelijk schoof een van mijn Franse collega’s aan een tafel met daarachter een ambassademedewerkster. Wij verzamelden ons om hen heen. 

Toen duidelijk was wie wij waren bleek er inmiddels contact te zijn geweest tussen de ambassade en ons hoofdkantoor. De afdeling HR van het hoofdkantoor had die ochtend onmiddellijk een crisisteam gevormd met als doel om voor goede opvang van alle cursisten te zorgen. Het team had ook contact gelegd met de verschillende ambassades en een telefoonnummer achtergelaten waarop gebeld kon worden. De medewerker van de ambassade gaf ons het nummer en we mochten bellen vanaf het toestel dat op tafel stond. Intussen hielp zij onze Franse collega’s met de nodige papieren om te zorgen dat er een nieuw paspoort kwam, of in ieder geval dat er uitreisformulieren geregeld werden voor de terugvlucht. Daarbij gaf zij wel aan dat vliegveld JFK sinds die ochtend potdicht zat en dat niet duidelijk was wanneer er weer vluchten zouden vertrekken. 

We belden het nummer dat we zojuist hadden gekregen. Ook al was het na achten in de avond, de telefoon werd direct beantwoord. Aan de andere kant van de lijn werd om te beginnen verteld dat men al op de hoogte was van het feit dat wij ongedeerd waren en nog ergens door de stad zwierven. De Amerikaanse die ons eerder die avond had verlaten, had direct na aankomst bij haar familie naar kantoor gebeld om dit te melden. Goed denkwerk van haar! Intussen had men alle cursisten gelokaliseerd en was duidelijk dat onder ons geen slachtoffers waren gevallen. Dat was een hele opluchting. De andere cursisten (vrijwel allemaal Amerikanen) waren in de afgelopen uren ergens ondergebracht of hadden zelf onderdak gevonden. 

Voor ons had men intussen een bedrijfsappartement dat ergens down town New York (en naar bleek niet al te ver van de Franse ambassade) gelegen was in gereedheid gebracht. Het appartement was niet al te groot en het zou een beetje improviseren worden om daar met 8 personen te overnachten, maar voor een nacht moest dat wel lukken. Er lagen wat extra dekens en het team deed zijn best om voor de volgende dag elders onderdak voor ons te regelen. Waarschijnlijk werd dat het Hilton bij Time Square (bij het horen hiervan keken we elkaar veelzeggend aan: daar konden we wel mee leven), maar daar zouden we zo spoedig mogelijk meer over horen. Ook was men bezig om de vanochtend achtergelaten bagage uit het hotel te krijgen, maar of en zo ja wanneer dat ging lukken was nog de vraag. 

Verder had de directie besloten dat we alle extra kosten die we moesten maken vanwege de ramp (voor zover noodzakelijk, hier aantoonbaar aan gerelateerd en op voorwaarde dat we bonnetjes bewaarden) konden declareren. Richard fluisterde de suggestie in mijn oor om morgen dan maar een Porsche of Maserati te huren; er was immers geen openbaar vervoer en dus was er naar zijn mening sprake van noodzakelijke kosten, verdedigbaar gerelateerd aan de calamiteit waarin we beland waren. Ik was het natuurlijk onmiddellijk met hem eens en ik zag het al helemaal voor me: wij met z’n tweeën in een vuurrode bolide scheurend door de stad omdat we toch niks beters te doen hadden. We spraken af dat we ongeveer een half uur, maximaal een uur later in het bedrijfsappartement zouden zijn. 

Daar werd de deur geopend door de medewerker van het crisisteam die we eerder aan de lijn hadden gehad. Het appartement was inderdaad vrij klein (officieel berekend op twee personen), maar wel van alle gemakken voorzien. We ploften met z’n allen in de woonkamer neer en iemand van ons keek in de keuken en ontdekte dat er in de koelkast drank lag en dat er ook wat chips voor ons waren ingekocht. Wat een service! Daar begonnen we maar eens mee. Eigenlijk wilde ik nu erg graag m’n ouders en wat andere mensen in Nederland bellen, maar vanwege het tijdsverschil besloot ik om dat maar uit te stellen tot de volgende dag. 

Terwijl we zo zaten, bedachten we ons dat we, behalve de kleding die we droegen, helemaal geen spullen meer hadden (eh, okay, Richard had z’n paraplu nog). En een frisse douche en schone kleding waren na deze lange en zweterige dag geen overbodige luxe. Onderweg naar het appartement hadden we iets verderop een supermarket gezien die ongetwijfeld de zaken verkocht die we nodig hadden en die bovendien nog geopend was. Daar gingen we naartoe. 

In de supermarket speelde zich vervolgens een briljant en ook in onze ogen bijzonder komisch schouwspel af. Alle mannen kochten dezelfde boxershorts, t-shirts, sokken (maar dan natuurlijk in verschillende maten), tandenborstels, scheerspullen en ook hetzelfde doucheschuim. En daarna dachten de mannen actief en betrokken mee met de enige dame in ons gezelschap bij de aanschaf van onder andere een rode (daar ging de groepsvoorkeur naar uit) bh. Op het cursusonderdeel ‘teambuilding’ hadden we ongetwijfeld maximaal gescoord! 

Aansluitend gingen we snel even een hapje eten in een hamburgertent, douchte iedereen zich teruggekomen in het appartement en creëerden we ergens in het appartement een slaapplek voor onszelf. Daarop vielen we massaal in een comateuze vorm van slaap. 

Deel VII

Toen ik de volgende ochtend wakker werd keek ik uit automatisme om te beginnen op mijn mobiele telefoon. Ik zag dat deze uitgevallen was; waarschijnlijk een lege batterij en ik had natuurlijk ook geen oplader. Direct wat mensen bellen met dit toestel werd ‘m dus niet. Dan maar over op de andere onderdelen van mijn vaste ochtendritueel: koffie en een sigaretje. 

Ik kreeg ruzie met het Amerikaanse koffiezetapparaat dat ik niet begreep. Het duurde daardoor even voordat ik daadwerkelijk kon genieten van het zwarte goud. Bijkomend effect was dat de herrie van mijn onhandige escapades de functie van wekker had voor de rest van mijn collega’s in het appartement en binnen korte tijd de een naar de ander de nieuwe dag begroette met (over het algemeen) een gapend uitgekraamd ‘good morning’. 

Nadat ik op het balkon een Camel om zeep had geholpen dook ik onder de douche. De collega’s volgden mijn voorbeeld; althans daar waar het ging om het wat naar chloor riekende water uit de sproeier en niet gelijktijdig. Een klein uurtje later stonden we met z’n achten opgelijnd om de dag die voor ons lag met frisse moed aan te vallen. 

Ik had intussen vanaf de vaste lijn wat telefoontjes naar Nederland gepleegd. Ik hoorde dat niet alleen New York volledig op z’n kop stond, maar ook de rest van de wereld. Ik vond het toch wel een bijzondere gewaarwording om te constateren dat ik middenin iets zat dat de hele wereld in rep en roer had gebracht. 

Rond een uur of 10 werden we gebeld door iemand van ons hoofdkantoor. Het was nog niet gelukt om onze bagage uit het hotel te krijgen en men had ook sterke twijfels of we onze spullen ooit terug zouden zien; het interieur van het hotel was, zoals we de dag ervoor al gehoord hadden van ‘de fietser’, volledig bedekt met een laag stof en geheel in lijn met de ons bekende hypochondrie van de gemiddelde Amerikaan vreesde men gezondheidsrisico’s. Dat het merendeel van de koffers hermetisch gesloten was en de bagage dus stofvrij moest zijn deed kennelijk niet ter zake. Tja, voor je weet heb je als Uncle Sam natuurlijk ook een claim aan je stars and stripes… 

Maar er was ook goed nieuws. Het crisisteam dat nog steeds in opperste paraatheid was, had daadwerkelijk kamers voor ons in het nabij gelegen Hilton weten te regelen. Daar konden we verblijven zolang dit nodig was. Wat ons betrof: 3-werf hulde! Na een snel ontbijt ergens in een tent om de hoek (ik gok dat ik mezelf vol gegooid heb met lokale roereieren en calorie-arm uitgebakken spek) wandelden we naar ons nieuwe onderkomen. 

In het Hilton werden we met open armen ontvangen. Al snel werd duidelijk dat men ingelicht was over de achtergrond van onze komst en we hadden ons nog maar net aan de balie gemeld of de hotelmanager heette ons met veel egards welkom. Hij hoopte dat wij, ondanks de omstandigheden, toch een prettig verblijf zouden hebben. Of iets dergelijks. Richard en mijzelf ontgingen zijn woorden enigszins; wij werden afgeleid door de aanblik van een fles champagne en acht glazen die de beste man had laten aanrukken. Ik zag ook Richard denken: “cut the crap and open the bottle dear friend!!!”. We lieten ons de champagne goed smaken. De toon voor de rest van de week was gezet. 

Deel VIII

Nadat we de champagne achterover gegooid hadden, checkten we officieel in bij onze Hiltonvrienden. Daarbij merkte ik dat een dagje ‘ophef in New York’ toch wel indruk had gemaakt. We konden kiezen uit een aantal kamers en ik had een sterke voorkeur voor een kamer op een laaggelegen etage; ik had het wel een beetje gehad met liften die kunnen blijven hangen en koffers (of inmiddels 1 tandenborstel, een fles doucheschuim, een paar boxershorts, 2 t-shirts, een paar sokken en scheergerei) van trappen afslepen. Ik nam mijn intrek in een kamer op de (naar ik mij herinner) 5e etage. 

Voordat ik nu verder ga moet ik even iets melden: het verhaal tot nu toe is in mijn beleving voor ruim 80% zoals het daadwerkelijk gebeurd is (her-en-der heb ik wat hiaten in mijn geheugen opgevuld, maar wel zoals het volgens mij echt was). De dagen die nu volgen heb ik wel ongeveer, maar niet tot achter de komma scherp. Misschien omdat we redelijk in een (letterlijke) roes leefden of simpelweg omdat de dag 9/11 zelf gewoon meer indruk heeft gemaakt. Ik weet het niet. Maar ik doe m’n best om ook de rest van de week zo waarheidsgetrouw mogelijk te beschrijven. Ik vraag de lezer dus om enige coulance voor wat betreft de details. Mocht deze wetenschap afbreuk doen aan mijn verhaal, dan hoor ik het natuurlijk graag. Ik kan op ieder moment besluiten te stoppen met tikken. Waarvan akte. 

Ik was direct enthousiast over mijn nieuwe onderkomen. Een luxe suite met twee kamers, een ruime badkamer met ligbad en uitzicht op de straat beneden. En natuurlijk een gevulde minibar. Dat kon slechter. 

Ik was nog maar goed en wel op mijn kamer of de telefoon ging. Huh, wie kon dat nou zijn?? Ik nam op en tot mijn verbazing herkende ik de stem van mijn goede vriend Ralph Hanekamp vanuit Nederland aan de andere kant van de lijn. Hij had gehoord dat ik in New York zat en had via-via (hoe precies weet ik niet meer) begrepen dat ik nu in het Hilton verbleef. En wat bleek: heel toevallig zaten ook zijn ouders, net als ik, vast in New York. Ik meen dat pa Harry voor zijn werk in New York moest zijn en aangezien JFK nog steeds plat lag (en afgaande op hetgeen de receptionist ons net verteld had kon dit nog wel even duren), waren hij en z’n vrouw (sorry Ralph, ik ben even de naam van je lieve moedertje kwijt) ook gedwongen om hun verblijf in The Big Apple te verlengen. Of het misschien een goed idee was om even met pa en ma af te spreken voor een drankje of hapje??? Nou, als het gezelligheidsgen in de familie Hanekamp enigszins zijn werk had gedaan kon dat alleen maar een uitstekend plan zijn. Ik noteerde het nummer van het hotel waar zij zaten en ik gaf aan dat ik snel contact met ze zou opnemen. 

Weer beneden aangekomen keek ik in de hotelbar en zag daar een lege kruk met een paraplu aan de leuning en een glas whiskey op de toog. Een indicatie dat vriend Richard niet ver kon zijn. En inderdaad, enkele seconden later keerde Richard terug van de wc waar hij, naar eigen zeggen, de voortreffelijke champagne van daarnet met lichte tegenzin aan het New Yorkse riool had prijsgegeven. Ik ging op de kruk naast hem zitten en bestelde een biertje; dat leek mij gelet op het vroege tijdstip net iets verstandiger dan een Schotse op de rotsen. Na het ledigen van de glazen bestelden wij nog een whiskey en een bier, vervolgens nog een setje en nog 1 en nog 1 en nog 1…. En daar laat mijn geheugen mij voor die betreffende middag in de steek. 

Totdat ik begin van de avond gebonk op mijn kamerdeur hoorde en wakker werd in mijn luxe lit jumeaux. We gingen eten in de stad was het plan. Ik geloof niet dat ik op dat moment direct behoefte aan voedsel in mijn ietwat draaierige maag, maar ach, ik wilde ook geen spelbreker zijn. En voor je het wist werd het gezellig. Ik kon toen nog niet vermoeden dat het woord ‘bommelding’ wel een erg nadrukkelijke rol in de rest van avond zou vervullen…. 

Deel IX

In de straten rond ons hotel hing een onwerkelijke sfeer. Het deed me denken aan een boek van Stephen King. Het was druk op Time Square, maar er reden nauwelijks auto’s. En de yellow cabs die af en toe voorbij kwamen wurmden zich stapvoets tussen de massa door die, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, doodgemoedereerd midden op straat liep. Het leek bovendien wel of niemand echt ergens naartoe onderweg was. Een soort braderie waar je telkens opnieuw beslist welke kraam je volgende bestemming wordt. En iedereen was buitengewoon vriendelijk. Voorbijgangers spraken elkaar willekeurig aan, waarbij het WTC hoorbaar een rode draad door de gesprekken vormde. Het was duidelijk dat heel New York, in ieder geval voor nu even, een gemene deler had die het straatbeeld bepaalde en zorgde voor intense saamhorigheid. 

Het eetplan was bij de hele groep goed gevallen. Met z’n achten slenterden we door de stad op zoek naar een geschikt restaurant. Onderweg liepen we regelmatig een winkel binnen om wat te kopen. Ik kocht een trui, een broek en een rugzak; ik was het gezeul met een plastic tas met daarin mijn schamele bezit zat. 

Het was rond 20.00 uur en ik merkte dat ik trek begon te krijgen. Ik bedacht me dat ik die dag, behalve ontbijt, niets gegeten had. En het flauwe gevoel in mijn maag bevestigde dat de wijsheid die leert dat een glas bier gelijk staat aan een bruine boterham een aanzienlijk broodje-aap-gehalte heeft. Niet lang daarna lieten we ons door een in schort gehulde vrolijke frans naar een tafel loodsen in een restaurant waarvan de menukaart die buiten hing ons wel had aangesproken. 

Kennelijk was de eigenaar van de uitspanning waar we ons bevonden van mening dat er na ons nog makkelijk twee eetshifts doorheen gejast konden worden, want in no time werd onze bestelling voor onze neuzen geflikkerd. Welk nummer op de kaart ik omarmd heb weet ik niet meer, maar zonder enige twijfel zal het alcoholpercentage in mijn bloed mij hebben doen besluiten om te kiezen voor een lokale specialiteit. Lees: vette bek. 

Onderweg was mij opgevallen dat ik nogal vaak politiesirenes hoorde zonder dat ik een aanleiding kon ontdekken voor de luidruchtige aanwezigheid van de sterke arm. Het paste niet echt in de sfeer op straat, maar verder had ik er niet veel aandacht aan besteed. Dit veranderde subiet toen ik het ene naar het andere zwaailicht voor ons restaurant zag verschijnen. Wat nu weer??? Buiten hoorde ik de blikkerige klank van een megafoon. Ik kon niet onmiddellijk goed verstaan wat er werd gezegd, maar in ieder geval begon de uitgesproken tekst met ‘don’t panic…’. Waar had ik dit eerder gehoord? 

Aan tafel keken we elkaar aan. Ik hoorde Richard murmelen ‘holy shit’ en daarmee nam hij mij de woorden uit de mond. Voor in de zaak was inmiddels de nodige paniek ontstaan. Stelletjes grepen elkaar bij de arm en ik zag een ouderpaar met angst in de ogen hun kinderen aansporen om zo snel mogelijk het pand te verlaten. De ervaring van de dag ervoor rijker renden ook wij richting uitgang. Richard griste nog snel even zijn paraplu van de kapstok… 

Deel X

Voor de deur van het restaurant was het een chaos. Het was inmiddels donker buiten, maar de straat werd hel verlicht door een stoet politieauto’s met brandende zwaailichten, een brandweerauto en ook een paar ambulances. In eerste instantie wisten we niet wat er aan de hand was, maar bij navraag legde een agent uit dat zij een bommelding hadden gekregen en dat daarom het pand ontruimd moest worden. Hij vertelde ook dat New York de hele dag al geteisterd werd door dit soort meldingen. Gelukkig waren deze tot nu toe steeds vals gebleken, maar kennelijk was er een aantal idioten dat er genoegen in schepte om nog meer angst in de stad te zaaien dan er al was. En het protocol schreef nu eenmaal voor dat bij iedere melding opnieuw massaal uitgerukt moest worden. Nou, dat er onder de bezoekers van het restaurant sprake was van angst werd me snel duidelijk: om me heen zag ik allerlei mensen in tranen en de paniek viel van de gezichten af te lezen. 

Het restaurant werd onderzocht op mogelijke explosieven. Maar ook nu werd er niets gevonden en na een klein uur konden we weer naar binnen. 

Ons eten was inmiddels natuurlijk koud. Volgens mij heb ik puur voor de maagvulling nog een paar happen genomen en verder concentreerden we ons op de flessen wijn die we eerder hadden laten aanrukken. We overlegden wat we de rest van de avond gingen doen. Niet ver van het restaurant hadden we een kroeg gezien die er wel gezellig uitzag. Dat leek ons een prima volgende tussenstop in onze city tour. 

Maar geloof het of niet, we zaten nog geen kwartiertje aan de kroegbar een paar honderd meter verderop of opnieuw zagen we door de ramen een colonne zwaailichten verschijnen. Lang verhaal kort: binnen 5 minuten stonden we weer met z’n allen op de stoep en natuurlijk ging het ook nu om een (valse) bommelding. Als ik het me goed herinner heeft dit ritueel zich die avond in totaal 4 keer herhaald; in de tent waar wij op dat moment zaten of ergens in de directe omgeving. Toen hadden we het wel gehad met de continue paniek om ons heen. We gingen terug naar ons hotel. Na nog een klein afzakkertje aan de bar doken we allemaal ons bed in; het was inmiddels ook rond 2 uur ’s nachts. In het hotel bleef het die nacht rustig. 

Tijdens het ontbijt de volgende ochtend was het centrale thema ‘terug naar huis’. Door de commotie de vorige avond had niet iedereen even goed geslapen. We gingen onze 6de dag in New York in (het was nu donderdag) en het verlangen om de stad te verlaten werd ook bij mij steeds sterker. Mijn mobiele telefoon had ik weer kunnen opladen en tussen de bedrijven door belde ik regelmatig naar Nederland. Met ieder telefoontje kreeg ik meer heimwee naar huis. Richard en ik namen het voortouw in de actie die we met elkaar in dit kader afspraken; wij zouden weer even met het crisisteam van ons hoofdkantoor bellen om te vragen of er al meer duidelijkheid was over onze bagage. Ook zouden we uitzoeken of er alweer vluchten gingen vanaf vliegveld JFK, of in ieder geval zouden we proberen om meer informatie te krijgen over een mogelijke terugvlucht naar Europa op korte termijn. 

We belden vanaf mijn kamer. De bagage konden we wel vergeten zo werd ons gemeld. De autoriteiten weigerden derden toegang tot het hotel en waarschijnlijk zou vanwege de vervuiling door het stof de gehele inboedel vernietigd worden, inclusief onze bezittingen. Het crisisteam deed natuurlijk nog zijn uiterste best om te redden wat er te redden viel, maar er was weinig hoop. Over JFK had men mogelijk beter nieuws. Er gingen geruchten dat er misschien vanaf die dag weer gevlogen werd, maar de berichten die men kreeg waren wat tegenstrijdig. Wellicht konden we beter zelf even direct met het vliegveld bellen voor betrouwbare informatie. Zo gedaan. We kregen meerdere mensen aan de lijn, maar wat nu echt de situatie was kregen we niet duidelijk. De een meldde dat JFK nog wel een paar dagen gesloten zou blijven, de ander had het erover dat eind van de ochtend de eerste vluchten zouden vertrekken. We konden er eerlijk gezegd geen touw aan vast knopen. 

Nadat we opgehangen hadden, keken Richard en ik elkaar vragend aan. Tja, wat moesten we hier nou mee? Een ding was zeker: we wilden zo snel mogelijk The Big Apple verlaten. Na kort overleg leek het ons het beste om op JFK zelf te polsen. We besloten om samen een taxi naar het vliegveld te nemen. Met de rest van de groep spraken we af dat we direct zouden bellen als we meer duidelijkheid hadden. 

Richard en ik hielden beneden voor het hotel een taxi aan die ons richting JFK reed. Bij het naderen van het vliegveld kwamen we al snel tot de conclusie dat er in ieder geval op dat moment nog geen vluchten gingen; het luchtruim boven JFK was leeg, zagen we. 

In de vertrekhal stonden meer (potentiële) passagiers, maar echt druk was het niet. We vroegen her-en-der aan mensen of zij wisten of en zo ja wanneer er weer vluchten zouden gaan, maar niemand leek een flauw benul te hebben. De meest betrouwbare indruk wekte iemand van de beveiliging die we aanspraken; volgens hem was het wachten op een beslissing van de autoriteiten die ieder moment bekend gemaakt kon worden. Tot die tijd was het slechts gissen. 

Richard en ik namen een koffie en in afwachting van nader bericht ploften we neer op een bank in het midden van de hal. Even later werd er omgeroepen.: “Due to security reasons……. Maybe tomorrow.” Of terwijl: helaas pindakaas, maar vandaag ging het ‘m qua vluchten niet worden. Shit! 

We belden met onze vrienden in het hotel en een klein half uurtje later voegden we ons weer bij hen. De stemming was niet bepaald vrolijk. Tja, dan nog maar een dagje New York en hopen op beter nieuws. Ik zag wel een beetje op tegen weer een dag mogelijk vol stress en paniek. En hoe meer ik hier over nadacht, des te meer miste ik ons mooie kikkerlandje… 

Deel XI

Nu we gedwongen waren om in ieder geval vandaag nog in New York te blijven, moest ik er maar het beste van maken. Het was er nog niet van gekomen om pa en ma Hanekamp te bellen. Maar afgezien van de mogelijke gezelligheid die mijn telefoontje tot gevolg zou kunnen hebben, had ik wel behoefte om landgenoten te spreken. Gewoon even in m’n eigen taal lullen over alle gebeurtenissen van de afgelopen dagen… 

Ik draaide het nummer van het hotel waar de Hanekampjes verbleven en de receptie verbond mij door naar hun kamer. Volgens mij kreeg ik pa aan de lijn. Zij hadden natuurlijk van Ralph gehoord dat ook ik in New York zat en dat ik contact met hen zou opnemen. En het leek hen ook een voortreffelijk idee om samen een borrel te drinken en een hapje te eten. We spraken af dat we elkaar diezelfde avond, ik meen rond een uurtje of zeven, in de lobby van hun hotel zouden treffen. 

Wat ik de rest van die dag tot mijn afspraak precies gedaan heb kan ik me niet meer voor de geest halen. Er zullen niet al teveel opzienbarende dingen gebeurd zijn, anders had ik het ongetwijfeld nog wel geweten. Waarschijnlijk zijn we de stad weer ingewandeld (ik zie een beeld van Broadway voor me, dus zou kunnen dat we hier die middag een bezoek aan gebracht hebben). Misschien dat diegenen onder ons die nog geen reispapieren hadden dit geregeld hebben en er zal vast nog wel wat gedronken zijn. Maar de details schieten mij niet meer te binnen. 

Begin van de avond dook ik onder de douche en kleedde ik me om (of terwijl: ik trok het enige extra setje kleding aan dat ik had). Vervolgens liep ik naar het hotel van pa en ma Hanekamp. Vaag staat mij iets van bij dat het hotel in de buurt van St. Patricks Cathedral lag. In ieder geval ben ik daaraan voorbij gelopen. Een kleine reconstructie via Google doet mij vermoeden dat zij in een hotel op 5th Avenue zaten en mogelijk was dit het New York Palace Hotel. Maar dit weet ik niet zeker. 

In de lobby zat pa Hanekamp de krant te lezen. We hadden elkaar nog nooit ontmoet, maar op de een of andere manier was mij direct duidelijk dat de man met het grijzige haar boven de krant Harry Hanekamp moest zijn. We begroetten elkaar en niet lang daarna voegde ma zich bij ons. Ik blijf het opvallend vinden hoe het met sommige mensen onmiddellijk klikt. Binnen een paar minuten had ik het idee dat we elkaar al jaren kenden en ik geloof dat dit wel wederzijds was. Een mooie basis voor een aangenaam samenzijn. 

Met z’n drieën liepen we naar een restaurant, ik denk 1 of 2 blocks verderop. Bij binnenkomst zag ik in een oogopslag dat het niet het eerste het beste restaurant was en ik meen me te herinneren dat pa en ma Hanekamp hier al eerder gegeten hadden. Dus moest de kwaliteit wel in orde zijn. 

We werden naar onze tafel begeleid en gingen zitten. We bestelden wat te drinken. Ik nam om te beginnen een biertje. We vertelden over en weer wat we de afgelopen dagen hadden meegemaakt en al vrij snel bleek dat we ook voor wat betreft humorniveau aardig op een lijn zaten. De nodige kwinkslagen werden gemaakt en de grappen waren niet van de lucht. We kregen het onder meer over kosten, declaraties, verhalen op de zaak, et cetera (ik weet niet meer precies in welk verband). Dit vormde aanleiding om ook een financiële verdeelsleutel voor die avond met elkaar af te spreken. Ik stelde voor dat ik de drank zou betalen en dat het eten derhalve van de en/of rekening Hanekamp ging. Nu heb ik in mijn leven meerdere onhandige deals gesloten, maar deze afspraak prijkt zonder enige twijfel nog steeds in mijn top-5 van slechtste deals aller tijden. Het eten was aan de prijzige kant, maar de kosten van de aperitieven, flessen wijn en digestieven die we gedurende de avond op tafel lieten toveren overstegen de eetrekening, zwak uitgedrukt, in ruime mate. De aanblik van de brede grijns die ik rond de mondhoeken van pa Hanekamp zag bij het afrekenen, staat nog in mijn geheugen gegrift. Maar we hadden een topavond en dan mag het wat kosten. Het was in ieder geval een hele verademing dat we rustig aan tafel hadden kunnen zitten zonder opgeschrikt te worden door zwaailichten voor de deur. 

Het zal rond middernacht zijn geweest toen we hartelijk afscheid namen. We spraken af dat we contact zouden houden en als dit niet meer in New York zou zijn leek ons een kleine reünie te zijner tijd in Nederland wel een mooi plan. 

Ik merkte dat ik niet meer helemaal stevig op m’n benen stond. Het leek me beter om me door een taxi terug naar mijn hotel te laten vervoeren. Aldus geschiedde. 

In de lobby van het hotel kwam mij herrie vanuit de hotelbar tegemoet. Ik herkende de stem van Richard die kennelijk de goegemeente aan het toespreken was. Toen ik de bar binnenstapte zag ik inderdaad een rossige Brit bovenop een tafel staan die met dubbele tong en op vol volume Shakespeare aan het voordragen was; in zijn linker hand een glas whiskey, met zijn rechterhand zwaaiend met zijn paraplu. Het publiek werd duidelijk vermaakt. Nadat Richard onder luid applaus van de aanwezigen zijn voordracht beëindigd had, sprong een Franse collega op tafel. Hij citeerde een dichter uit zijn thuisland en ook dit leidde tot enthousiaste bijval in de bar. Dan kon ik natuurlijk niet achterblijven. Dus ik vervolgens ook op tafel. Ik bracht het gedicht ‘De zelfmoordenaar’ van Piet Paaltjens ten gehore. Een eindeloos epistel dat ik ooit eens uit m’n hoofd geleerd heb en waar natuurlijk niemand iets van verstond. Maar blijkbaar was men onder de indruk van de stroom g-klanken die ik nog vlekkeloos wist uit te kramen en ook mijn bijdrage aan deze spontane nacht der poëzie werd warm onthaald. De stemming zat er goed in en naar verluidt (dit vertelde ons een van de hotelmedewerkers de volgende dag) hebben we nog tot een uur of vier de barman ervan weten te weerhouden om de tap te sluiten. Broeva haro! 

Hoe en wanneer ik precies m’n kamer heb gevonden is mij een raadsel, maar ergens ben ik deze memorabele avond/nacht op miraculeuze wijze veilig in m’n bed beland… 

Deel XII

Het zal niemand verbazen dat we de volgende ochtend allemaal met een houten kop wakker werden. Bovendien hadden we met z’n allen het hotelontbijt ruimschoots gemist; het was al diep in de ochtend toen langzaamaan de hele groep zich beneden verzamelde en niet nadat her-en-der uitvoerig en luidruchtig op de diverse kamerdeuren was gebonkt. Er zat weinig anders op dan even in de stad de noodzakelijke vastigheid in onze mik te gooien. 

Bij het voorbijlopen van de receptie werden we door de dienstdoende medewerker aangesproken. Eerder die ochtend had iemand van het crisisteam vanuit het hoofdkantoor geprobeerd ons te bereiken, maar nergens was de telefoon opgenomen. Het verzoek was of een van ons met enige spoed terug kon bellen. We vonden koffie en scrambled eggs op dat moment net iets meer prioriteit hebben, dus liepen we eerst een lunchroom aan de overkant van het hotel binnen. 

Een uurtje later belden we met het hoofdkantoor. Daar was men ons duidelijk niet vergeten. Er was opnieuw contact gelegd met JFK om zo mogelijk snel een vlucht voor ons te regelen. De berichten die men had gekregen waren echter niet hoopgevend; er was nog geen enkel zicht op heropening van het vliegveld, dus op welke termijn wij eindelijk op die manier New York konden verlaten viel niet te zeggen. 

Dit had het crisisteam doen besluiten om een noodoplossing voor ons te bedenken, onder voorwaarde natuurlijk dat we hiermee akkoord gingen. De directie was bereid om een alternatieve route terug naar huis voor ons te bekostigen. Het idee was dat er in New York een busje (een American ‘van’) voor 8 personen werd gehuurd waarmee we naar Toronto in Canada reden (dat bleek logistiek het meest praktisch te zijn). Vanuit Toronto konden de Canadezen onder ons dan een binnenlandse vlucht nemen en de Europeanen naar Londen of Parijs vliegen. Voor mij zou na een tussenstop in Londen een vlucht naar Amsterdam worden geboekt. Een beetje afhankelijk van onze vertrek- en rijtijd vanuit NewYork (de inschatting was dat we ongeveer 10 uur nodig zouden hebben om in Toronto te komen) zou in Canada voor een hotel worden gezorgd waar we konden overnachten. Bovendien vond de directie het als kleine compensatie van de ellende die we hadden meegemaakt niet meer dan vanzelfsprekend dat we allemaal Business Class vlogen. Het verzoek was of we snel met elkaar wilden overleggen en uiterlijk in de loop van de middag wilden laten weten of we van deze optie gebruik maakten. Als alles meezat was het dan haalbaar om te regelen dat we de volgende dag (zaterdagochtend) New York konden verlaten. 

Tja, daar stonden we met z’n allen nadat de telefoon was opgehangen. Om me heen zag ik louter verbouwereerde gezichten en ook ikzelf was verrast; dit hadden we niet verwacht. Maar van de gezichten viel ook af te lezen dat we het zonder overleg wel met elkaar eens waren: LET’S GET OUT OF HERE! Volgens mij hebben we binnen 0,0000003 seconden het crisisteam teruggebeld en gevraagd om dit scenario DIRECTLY in gang te zetten. 

Dit schreeuwde om champagne!

Deel XIII (slot)

“Ontkurk nooit de champagne voordat de beer op zijn rug ligt”, of zoiets. Dit zou het credo kunnen zijn van het vervolg van het verhaal. 

We hebben die middag natuurlijk allereerst vrolijk een glas gedronken op de briljante escaperoute die het hoofdkantoor voor ons bedacht had (Richard klapte van vreugde zijn paraplu uit; ik had hem dit tot dat moment nog niet zien doen en het verbaasde me eerlijk gezegd dat zijn plu dit überhaupt in zich had). 

De rest van die dag en de avond waren we vooral bezig om onze tocht met het crisisteam af te stemmen en we probeerden de tijd die we nog in New York moesten blijven zo goed en prettig mogelijk door te brengen. Of terwijl: same procedure as the days before. Voor de stemming scheelde het alleen aanzienlijk dat we uitzicht hadden op een spoedig vertrek en dat we wisten dat we binnen afzienbare tijd weer thuis zouden zijn. 

Wel hoorden we ’s avonds geruchten dat vliegveld JFK weer open was. Ik geloof dat we nog kort hebben overwogen om achter deze informatie aan te gaan met als mogelijke uitkomst dat we ons noodplan zouden afblazen. Maar we hadden de dagen ervoor al zo vaak vergelijkbare berichten gekregen die naderhand onjuist bleken te zijn, dat we vrij snel besloten om aan ons plan vast te houden. De ochtend erna werden we voor wat betreft dit besluit volledig in het gelijk gesteld; JFK was inderdaad een aantal uren open geweest, maar vrij snel (evenals een aantal andere vliegvelden in de regio) weer gesloten. 

Rond een uur of tien die zaterdagochtend werd een huurbus bij ons hotel afgeleverd. We zouden zelf rijden en we konden het voertuig na aankomst op Toronto Pearson International Airport bij een lokale vestiging van het huurbedrijf inleveren, zo werd ons verteld. Dit was bovendien vlak bij het Sheraton Hotel waar kamers waren gereserveerd en waar we konden overnachten ter overbrugging naar onze terugvluchten op zondag. We pakten de weinige spullen die we hadden van onze kamers en we namen afscheid van de medewerkers van het Hilton waar we inmiddels redelijk goede vrienden mee waren geworden (al meende ik ook wel een vorm van opluchting in hun gelaatsuitdrukking te zien: zo, van die herrieschoppers zijn we af). 

Navigatiesystemen bestonden in die jaren misschien wel, maar onze bus was hier in ieder geval niet mee uitgerust. We waren dus aangewezen op kaartlezen. Gelukkig was hier aan gedacht en er lag een vrij gedetailleerde wegenkaart van Noord-Amerika en Canada klaar op de bijrijderstoel. We bestudeerden de route die ons door de staten New York/Pennsylvania en via Buffalo aan het Eriemeer naar Toronto zou brengen. Een van mijn Franse collega’s nam het eerste deel van de rit als chauffeur voor zijn rekening. 

Ik schat dat we zo ongeveer vier uur gereden hadden toen een bericht op de radio onze aandacht trok; er was een vliegtuigongeluk in Canada gebeurd. De berichtgeving was nogal vaag, maar in ieder geval werd er direct een link gelegd met de gebeurtenissen eerder die week in New York. Shit, dit was nou niet bepaald waar we op zaten te wachten. Ik zag de gezichten om heen betrekken en ook ik werd niet echt vrolijk van dit ‘breaking news’. Het gesodemieter zou toch niet weer helemaal van vooraf aan beginnen??? 

We belden met het hoofdkantoor met de vraag of zij wisten wat er aan de hand was. Daar had men dit nieuws inmiddels ook gehoord, maar ook hen was niet helemaal duidelijk hoe de vork precies in de steel zat. Wel wist men dat het om een kleine privéjet ging en niet om een groot passagiersvliegtuig. Wat ons allerminst gerust stelde, was dat (zo hoorden wij telefonisch) er wederom geruchten gingen; nu dat uit voorzorg mogelijk vliegvelden in Canada gesloten zouden worden. “Krijg de tering” fluisterde ik volgens mij op z’n Leids…. 

We overlegden met onze contactpersoon van het crisisteam wat we zouden doen. Terug naar New York leek ons absoluut de laatste optie en uitwijken naar een ander vliegveld in de VS was vanaf de plek waar we ons op dat moment bevonden ook niet echt een aantrekkelijk idee. We spraken af dat we in een motel dat volgens de kaart iets verderop langs de highway gelegen was zouden stoppen. Vanuit het hoofdkantoor zou men intussen meer informatie proberen te verkrijgen en bij meer duidelijkheid zou men ons onmiddellijk bellen. Tja, er zat weinig anders op. 

Een kwartiertje later zaten we met z’n allen aan een kop koffie in een niet al te gezellig wegrestaurant. De mobiele telefoons midden op tafel, wachtend op meer nieuws van onze hoofdkantoorvrienden. 

Tergend langzaam kropen de minuten voorbij. Ik overwoog even om naar Nederland te bellen voor een kleine update aan het thuisfront (ik had m’n ouders en een paar vrienden natuurlijk op de hoogte gebracht van mijn terugreis), maar het leek me beter om hiermee te wachten en geen onnodige extra onzekerheid te veroorzaken. 

Voor mijn gevoel uren later, maar waarschijnlijk al na een klein half uurtje werden we gebeld; we herkenden het nummer uit New York. Ik had nog nooit 8 hoofden zo gespannen naar een telefoontoestel zien kijken in afwachting van een ringtone. 

Richard nam op. Ik zag hem knikken en hoorde hem een paar keer ‘yes’, ‘okay’ en uiteindelijk ‘thank God’ zeggen. Met name dit laatste deed mij het beste vermoeden. En inderdaad. Toen Richard nadat hij de lijn had weggeklikt kort samenvatte wat hij zojuist gehoord had, konden we allemaal opgelucht ademhalen. Er was weliswaar een vliegtuigongeluk in Canada gebeurd en men had even gevreesd voor een nieuwe terroristische aanslag. Maar inmiddels was gebleken dat het ging om een Canadese zakenman die met zijn privévliegtuig was gecrasht. Natuurlijk vervelend voor de beste man, maar ik kan moeilijk beschrijven hoe blij wij waren met dit ‘trieste’ nieuws. Niet lang daarna zaten wij weer in de bus en we vervolgden vrolijk zingend onze reis richting Toronto. 

Lieve lezers, 

Met pijn in het hart moet ik nu melden dat mijn verhaal vrijwel ten einde is. We kwamen rond middernacht veilig en zonder verder echt vermeldenswaardige gebeurtenissen in het Sheraton in Toronto aan. Iedereen was doodop van toch wel een flinke en uiteindelijk ook weer enerverende rit en we doken allemaal direct ons bed in. 

In de loop van de zondagochtend namen we (geëmotioneerd) afscheid van elkaar. De twee Canadezen namen een binnenlandse vlucht en mijn Franse collega’s vlogen naar Parijs. Richard, ikzelf en de andere twee Britten vlogen met British Airways naar London. Vanuit Londen vloog ik door naar Amsterdam waar ik (Nederlandse tijd) rond drie uur ’s middags aankwam. 

Ter afsluiting wil ik nog 3 dingen expliciet vermelden die mij nog buitengewoon helder voor de geest staan: 

1. Bij het inchecken in Toronto kreeg Richard bijna ruzie met de security; of mijnheer uit veiligheidsoverwegingen zijn paraplu af wilde geven!? Het zal jullie niet verbazen dat dit voor mijn Britse vriend onbespreekbaar was. Met zijn kenmerkende arrogante blik keek hij de betreffende veiligheidsambtenaar strak aan, sprak met lachwekkend dedain de woorden “If you don’t mind, I will keep my umbrella..” en liep stoïcijns richting de incheckbalie. 

2. Boven Nederland regende het en de regendruppels kletsten tegen het vliegtuigraam. Maar ik ben nog nooit zo blij geweest om vanuit de lucht een natgeregend Schiphol te zien. 

3. In de aankomsthal stonden m’n ouders, broers en een aantal vrienden. Wat is het toch fantastisch om te weten dat er, wat er ook gebeurt, altijd mensen zijn die je op staan te wachten en die er alle begrip voor hebben dat je ze met tranen in de ogen in de armen valt. 

EINDE

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *